Mutatieleer (D. Van den Abeele)

Bij de vogels hebben we tot op heden vier verschillende manieren van vererven. Dit zijn autosomaal dominant, autosomaal recessief, geslachtsgebonden recessief en geslachtsgebonden dominant. We gaan eens proberen om deze zaken duidelijk op een rijtje te plaatsen.

Autosomaal dominant:
Bij een dominante mutatie heeft men eigenlijk al aan één kweekvogel genoeg om in de eerste generatie nakomelingen reeds jongen te hebben met dezelfde kenmerken als één van de oudervogels die drager zijn van deze dominante mutatie. In tegenstelling tot recessieve mutaties kunnen vogels nooit split zijn voor een dominante mutatie. Simpel gezegd: ze zijn het of ze zijn het niet. Laat u dus nooit een fischeri aansmeren die split is voor gezoomd of violet, want dat kan niet. Men kan een dominant factor in principe overal inkweken, maar dat komt niet altijd even duidelijk tot uiting. Onthoud daarom steeds als gouden regel: een mutatiecombinatie die geen duidelijke kenmerken meer vertoont en als dusdanig niet meer te herkennen is, heeft geen enkel nut en is daarom ten stelligste af te raden.

Door het feit dat de mutatie dominant is, hebben we natuurlijk ook enkel- en dubbelfactorige vogels. Hoe komt dat? Wel, om het simpel te houden kunnen we stellen dat de erfelijke eigenschappen terug te vinden zijn op de chromosomen. Deze chromosomen zijn terug te vinden in de kern van alle cellen. Chromosomen liggen steeds per twee, we spreken daarom ook van een chromosomenpaar. Zo wordt aangenomen dat bij papegaaiachtigen er minstens 60 chromosomen zijn ofwel 30 paar. Deze cellen zorgen voor de ontwikkeling van de vogel en het onderhoud van het vogellichaam. Naast de gewone lichaamscellen hebben we ook de voortplantingscellen die aanwezig zijn bij de beide seksen. Deze dragen ook de erfelijke informatie van de oudervogel.

Uit deze voortplantingscellen ontwikkelen zich bij de poppen de eicellen en bij de mannen de zaadcellen. Deze eicellen of zaadcellen bezitten slechts een enkelvoudig stel chromosomen, dus 30 chromosomen (van elk paar één chromosoom). Wanneer er een bevruchting plaats vindt gaan de chromosomen (de helft van het chromosomenpaar) zich combineren met de chromosomen van de andere oudervogel (de andere ontbrekende helft). Samen vormen ze dan op hun beurt een nieuw chromosomenpaar. Met andere woorden, de chromosomenparen van een jonge vogel bestaan uit één chromosoom van vader en één van moeder. Daardoor hebben we genetisch 50% de eigenschappen en erfelijke aanleg van de vader en 50% van de moeder. Wanneer vader dan een chromosoom meegeeft met daarop een dominante mutatie en de moeder niet, dan heeft één chromosoom van de twee de factor in zich en spreken we van enkelfactorig. Wanneer beide oudervogels een chromosoom meegeven met daarop een dominante factor dan is dat uiteraard dubbelfactorig (mutatie aanwezig op beide chromosomen).

Men kan zich dat misschien beter voorstellen aan de hand van volgend voorbeeld gebaseerd op de gezoomde factor bij de fischeri, een factor die uiteraard dominant vererft:

We tekenen twee blokken, die zogezegd de chromosomen voorstellen van de man. De man is EF, dus dan gaan we een van de twee blokjes zwart maken. Als moeder ook EF is dan wordt er ook een van de twee blokjes bij moeder zwart gemaakt. Elk blokje krijgt dan een nummer van 1 tot 4. Dan gaan we gaan combineren. Als we weten dat telkens één van de twee chromosomen wordt meegegeven dan zien we dat er 2 x 2 mogelijkheden zijn, dus 4 mogelijke combinaties:



Enkelfactorig gezoomd x enkelfactorig gezoomd geeft dus:
25% niet gezoomd
50% enkelfactorig gezoomd
25% dubbelfactorig gezoomd

Bij die combinatie EF x EF zien we dus dat 1 op 4 DF is, dus 25% kans op dubbelfactorige jongen. 2 Op 4 zijn EF, dus 50% kans. Tenslotte is er nog 1 op 4 dat ongewijzigd is, dus hebben we ook nog 25% kans dat er niet gezoomde jongen geboren worden. Let op: deze procenten zijn kansberekeningen, het geeft de mogelijke uitkomsten, maar het verleden heeft uitgewezen dat de factor geluk hier ook een grote rol speelt. We kunnen eigenlijk voor veel dominante verervingen gebruik maken van dit blokkensysteem.

Om het nog iets meer te verduidelijken geef ik hier enkel voorbeelden in combinatie met de wildvorm en hier speelt het uiteraard geen rol of de man of de pop drager is van de dominante factor. Indien u het wenst kunt u misschien zelf een schema met blikken bijmaken, zo ziet u eigenlijk hoe simpel het allemaal is.

Enkelfactorig gezoomd x wildkleur geeft:
50% wildkleur
50% enkelfactorig gezoomd

Dubbelfactorig gezoomd x wildkleur geeft:
100% enkelfactorig gezoomd

Dubbelfactorig gezoomd x enkelfactorig gezoomd geeft:
50% enkelfactorig gezoomd
50% dubbelfactorig gezoomd

Dubbelfactorig gezoomd x dubbelfactorig gezoomd geeft:
100% dubbelfactorig gezoomd

Wanneer we nu gezoomd in andere kleuren gaan inkweken moeten we eerst naar de uitkomst van de kleuren zoeken en daarna de uitkomsten met de gezoomde factor
vb:

EF gezoomd D groen x EF gezoomd D groen

Eerst werken wij D groen x D groen uit (twee vogels met elke een dominante donkerfactor). Dat geeft 25% groen (geen donkerfactor), 50% D groen (een donkerfactor) en 25% DD groen (twee donkerfactoren).

Enkelfactorig gezoomd x enkelfactorig gezoomd geeft: 25% niet gezoomd, 50% enkelfactorig gezoomd en 25% dubbelfactorig gezoomd.

Dus uit deze combinatie kunnen we groene, D groene en DD groene vogels kweken, waarvan onafhankelijk van de kleur 25% niet gezoomd, 50% enkelfactorig gezoomd en 25% dubbelfactorig gezoomd zal zijn.

Autosomaal recessief
Met recessief bedoelen we een onderdanige factor. Een factor onderdanig tov de wildvorm. Bij recessief is het zo dat de factor moet gemuteerd zijn op beide chromosomen van het paar wil hij uiterlijk zichtbaar worden. Wanneer hier de mutatie slechts voorkomt op één chromosoom van het paar is de vogels gewoon uiterlijk wildvorm, maar wel drager van deze eigenschap. Hier speelt het geen enkel rol wie de factor in zich heeft, man en pop kunnen beiden split zijn voor een recessieve mutatie.

We halen hier het voorbeeld aan van de combinatie van een blauwe vogels met een groene. Blauw vererft bij agaporniden recessief.



Alle hieruit geboren jongen zijn uiterlijk (fenotypisch) groen, maar het genotype (genetisch) is deze vogel groen split voor blauw. Als we nu deze jongen onderling verparen krijgen we deze uitkomsten.



Hierbij zien we dat 1 op 4 (25%) groen homozygoot of fokzuiver is. 2 op 4 (50%) groen split blauw is en 1 op 4 (25%) blauw. De splitjongen zijn uiterlijk niet te onderscheiden van de fokzuiver groene jongen. Hier moeten proefparingen uitgevoerd worden.

Beter is daarom volgende verparing: blauw x groen/blauw



Bij deze combinatie hebben we 50% blauw en 50% groen / blauw vogels.

Geslachtsgebonden recessief
Hier hebben we te maken met een recessieve mutatie die zich op het X (Z) chromosoom of het geslachtschromosoom bevindt. Zoals we weten heeft de man bij vogels twee X (Z) chromosomen en kan dus split zijn voor een geslachtsgebonden recessieve mutatie. Wil de mutatie uiterlijk zichtbaar zijn dat moeten beide genen op het chromosomen paar gemuteerd zijn. Een pop daarentegen heeft slechts één X (Z) chromosoom en vertoont daardoor uiterlijk al de mutatie wanneer ze slechts op haar enige X (Z) chromosoom aanwezig is. Daardoor kan een pop nooit split zijn voor een geslachtsgebonden recessieve mutatie.



Uit deze combinatie hebben we 50% mannen groen / ino en 50% poppen lutino. Het al of niet aanwezig zijn van het Y (W) chromosoom bepaalt hier uiteraard of we met een man of een pop te maken krijgen. In principe kunt u voor elk van deze mogelijke combinaties een visuele voorstelling maken. Later gaan we dat dan doen aan de hand van formules.

Geslachtsgebonden dominant
Hier hebben we te maken met een dominante mutatie die zich op het X (Z) chromosoom of het geslachtschromosoom bevindt. Door het feit dat we bij vogels de man twee X (Z) chromosomen aantreffen, kan deze de mutatie enkel- of dubbelfactorig in zich dragen. Een pop daarentegen heeft slechts één X (Z) chromosoom en kan daardoor nooit DF zijn, alleen maar enkelfactorig. Het Y (W) chromosoom bevat immers geen (kleur)informatie. We nemen het voorbeeld van een SL pastel gouldamadine (bij agaporniden is er nog geen SL dominante mutatie gekend). Deze SL pastelfactor vererft bij deze vogels geslachtsgebonden dominant.



U ziet dat uit de combinatie man DF pastel x gewoon, alle nakomelingen, genetisch EF pastel zijn.

Wanneer we echter een EF pastel man x een EF pastel pop gaan verparen hebben we volgende uitkomsten:



Hier hebben we kans op 25% DF pastel mannen, 25% EF pastel poppen, 25% EF pastel mannen en 25% wildvorm poppen.

U ziet het, in principe kunt u voor alle mogelijke combinaties met de basismutanten met behulp van deze blokjes een visuele voorstelling maken. Even oefenen en u zal zien dat het niet zo moeilijk is.

© Dirk Van den Abeele
MUTAVI, Research & Advice Group
http://www.agapornis.be